Voordat ik naar Nederland kwam, had ik een ander beeld van de taal. In mijn gedachten waren Germaanse talen – met hun harde klanken en keelachtige woorden – ruw en streng. Het Nederlands leek mij een taal van bakstenen en bevelen, eerder geschikt voor fabrieken dan voor poëzie of tederheid.
Maar nu, zes jaar later, is mijn kijk veranderd. Het Nederlands is voor mij meer dan een verzameling woorden; het is een aardse muziek, eenvoudig en oprecht, zonder opsmuk. Een taal waarin onverwachts poëtische klanken verscholen liggen, juist in de alledaagsheid.
Op een zonnige dag zat ik op een terras. De geur van friet hing in de lucht, de zon streelde mijn gezicht. Een voorbijganger zei rustig: “Eet makkelijk.” De manier waarop hij het zei, met een zachte, bijna zingende intonatie, raakte me. De langgerekte klanken van “ee” en het afgeronde “makkelijk” hadden iets van een versregel. Toen dacht ik: deze taal is niet hard — ze is eerlijk. En in die eerlijkheid zit onverwachte zachtheid.
Laat me echter eerlijk zijn: ik begrijp deze taal nog steeds niet volledig. Ik schrijf nog altijd in het Perzisch. Ook dit stuk is geschreven met behulp van vertaalhulpmiddelen en veel geduld. Verwacht dus niet dat ik zo spreek! In het dagelijks leven struikel ik nog vaak over woorden. Vaak moet ik mijn dochter Delsa om uitleg vragen. Zij spreekt Nederlands met een vanzelfsprekendheid die ik bewonder, en ik kijk haar soms vragend aan en zeg: “Wat zei hij?” Waarop zij met de kalmte van een kind voor mij vertaalt.
Misschien heeft juist mijn onvermogen mij gevoeliger gemaakt voor de schoonheid van de taal. Wanneer je niet goed kunt spreken, luister je beter. En ik heb geluisterd — in de trein, in de supermarkt, naar mensen die praten over het leven, over niets en alles tegelijk. Woorden als gezellig, lekker, rustig… ze hebben niet alleen betekenis, ze hebben gevoel. Ze creëren een sfeer die je niet zomaar kunt vertalen.
De uitspraak blijft lastig. De ‘g’ schuurt nog in mijn keel en ‘ui’ is als een knoop op mijn tong. Maar zelfs deze ruwe klanken zijn nu onderdeel geworden van de muziek van het Nederlands. Ze horen erbij, als het geluid van regen op het raam.
Het Nederlands is geen taal van groot vertoon, maar wel een taal van het leven. Van fietsen en boterhammen, van korte groeten en zachte gebaren. En al heeft deze taal mij nog niet volledig omarmd, ik ben al wel van haar gaan houden.
Het is een reis die nog lang niet ten einde is. Een reis van woorden naar betekenis, van angst naar ontdekking. En juist in het niet-weten schuilt een onverwachte schoonheid.

