Een mijmering na twaalf dagen van vuur, staal en verdriet
Twaalf dagen duurde het. Slechts twaalf dagen.
Niet lang genoeg om een hoofdstuk in de geschiedenisboeken te krijgen, maar veel te lang om in harten vergeten te worden. De hemel was donker, de aarde beefde, en de mensen… altijd weer de mensen, weerloos in het midden van politiek en raketten.
Iran en Israël. Twee namen, twee bodems, twee verhalen vol littekens die opnieuw samenkwamen in een veld van buskruit.
We kennen de oorlog van het nieuws, van de koppen, van de cijfers. Ze vertellen ons hoeveel raketten er zijn afgevuurd, hoeveel doelen zijn geraakt, hoeveel mensen zijn omgekomen.
Maar niemand vertelt hoeveel blikken gebroken zijn, hoeveel vaders stilletjes kapotgingen, hoeveel kinderen hun ogen sloten om de geluiden niet te horen.
En dan rijst de vraag: wat betekent het eigenlijk om een oorlog te winnen?
Ze zeggen dat ze gewonnen hebben. De ander zegt dat ze krachtig terugsloegen.
Maar wie vraagt er: als stukjes menselijkheid verloren zijn gegaan in die overwinning, als je ’s nachts niet meer kunt slapen zonder nachtmerries, als je zoon wakker schrikt en roept “Papa, de lucht schreeuwde”… ben je dan echt teruggekeerd? Leef je dan echt?
Oorlog verbrandt niet alleen de aarde. Ze verschroeit ook de ziel. En wie terugkomt uit de oorlog, is nooit meer degene die vertrok.
De soldaat – als hij overleeft – brengt het geluid van de mortier mee naar huis.
De vrouw – als ze haar geliefde niet verloor – omhelst nu de angst.
Het kind – als het overleefde – heeft zijn rust achtergelaten.
Niemand keert terug. Niet de verliezer. Niet de winnaar.
In die twaalfdaagse oorlog hebben twee staten misschien hun spierballen laten zien. Misschien zijn er militaire doelen geraakt.
Maar geen enkele staat kan het verbrande hart van een moeder of de starende ogen van een kind herstellen. Die staan niet in de statistieken. Die sterven in stilte.
Wij mensen vergeten. Soms snel, soms omdat we willen.
Maar de aarde vergeet niet. En deze verbrande bodem zal kinderen baren met wonden.
Een generatie die opgroeit met angst, met woede, met het geheugen van sirenes.
Moge er een dag komen waarop overwinning niet wordt gemeten in aantallen raketten, maar in het aantal omhelzingen.
Moge er een dag komen waarop politici – vóór ze de oorlogstekening ondertekenen – denken aan de ogen van een kind, dat geen enkele rol heeft gespeeld in deze vijandschap.
En moge deze zin geen loze zin zijn, maar een waarheid die we werkelijk geloven:
Niemand keert terug uit de oorlog, zelfs niet als hij gewonnen heeft.


