Het was een rustige zondag. Regen viel zachtjes neer. Zo’n regen die je meer aan het denken zet dan dat je nat wordt. Ik zat bij het raam, met een afgekoelde kop koffie in mijn hand, en keek naar de lege straat.
Delsa kwam binnen met haar kleurrijke sokken en ging naast me zitten. Stil, zoals altijd wanneer ze iets wil vragen maar niet zeker weet of ze het mag.
Ze vroeg:
‘Papa? Ben je soms verdrietig?’
Ik schrok een beetje.
‘Hoezo?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op.
‘Ik weet het niet… Soms als je stil bent, lijkt het alsof je ergens aan terugdenkt.’
Ik glimlachte weemoedig. Hoe kon ik haar uitleggen dat sommige vormen van heimwee geen herinnering of verdriet zijn, maar wortels. Zoals een boomstam die denkt dat hij nog in zijn eigen aarde staat, terwijl hij allang is verplaatst.
Ik zei:
‘Ja, soms mis ik Iran. Niet alleen de plekken. De mensen, de taal waarin ik ben opgegroeid. Het gevoel dat je ergens echt bij hoort.’
Ze zweeg even.
Toen zei ze:
‘Ik ben daar nooit geweest. Maar soms voelt het alsof er een plek is die bij jou hoort, en die ik niet ken. En ik wil graag weten hoe dat daar is.’
Mijn ogen werden vochtig. Niet van verdriet, maar van het gevoel gehoord te worden. Mijn dochter, met haar jonge hart, had precies dat aangeraakt wat ik al jaren in stilte met me meedroeg.
Ik zei:
‘Daar was het warm. Vol geluid. Mensen spraken je aan, zelfs als ze je niet kenden. Avonden duurden lang, gewoon omdat samen zijn mooi was. Maar nu zijn we hier. En hier is het ook mooi… op een andere manier.’
Delsa zei:
‘Mag ik dat land ook mooi vinden? Ook al ben ik er nooit geweest?’
Ik zei:
‘Als je er ooit heen gaat, zul je het voelen. Maar zelfs als je nooit gaat, is het feit dat je het wil begrijpen, genoeg. Dan zit er al een stukje van dat land in jou.’
Ze zei niets meer. Ze legde haar hoofd zachtjes op mijn schouder. En ik rustte mijn hoofd op haar haar. Geen van ons zei nog iets. De regen achter het raam werd stiller. Alsof de wereld wist dat de woorden gezegd waren. Nu hoefden ze alleen nog maar gehoord te worden.


