Wij zijn op onszelf aangewezen

Afgelopen zondag zag ik iets dat me diep raakte. Mijn vrouw stond in de keuken te koken, terwijl haar telefoon op een standaard stond. Op het scherm verscheen het gezicht van haar moeder—een oudere vrouw met een zachte blik, maar vervaagde herinneringen. Ze kookten samen, op afstand. Niet om een maaltijd op tafel te zetten, maar om haar moeders geheugen, aangetast door Alzheimer, nog even actief te houden.

Op dat moment dacht ik na over stilte. Over de afstand. Over hoe migratie littekens achterlaat die je niet ziet. Over wat het betekent om een leven opnieuw op te bouwen, zonder de vanzelfsprekende steun van een groot netwerk van familie en vrienden.

Als migranten zijn mijn vrouw en ik volledig op onszelf aangewezen. Wanneer de school belt omdat onze dochter ziek is, moet één van ons direct vrij nemen en haar ophalen. We kunnen geen voltijd werken, niet omdat we dat niet willen, maar omdat er niemand is die voor haar kan zorgen. Geen oma, geen opa. Geen helpende handen in de buurt.

Misschien lijkt dit voor sommige lezers vanzelfsprekend. “Dat hoort toch bij het ouderschap?” zult u denken. Maar het is anders wanneer je geen vangnet hebt. Wanneer elke zieke dag, elke afspraak, elke werkvergadering een puzzel wordt. Wanneer je constant moet rekenen en schuiven, omdat je alleen bent met je partner en kind, en verder niemand.

Toch heeft migratie ons ook iets gegeven. We zijn sterker geworden. We hebben geleerd hoe we samen een stabiele basis kunnen vormen. Hoe we, ondanks alles, een warm thuis kunnen creëren. Onze dochter spreekt nu vloeiend Nederlands, heeft vriendjes van over de hele wereld, en bouwt hier aan haar toekomst.

We schrijven nog steeds in het Perzisch. We spreken met een accent. We missen onze families. Maar we gaan door. Elke dag opnieuw. Want ondanks alles, zijn we er nog. We staan nog overeind. En misschien, heel misschien, is dat genoeg.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *