Oorlog gebeurt niet alleen aan grenzen. Oorlog gebeurt ook in borstkasten.
Deze dagen voeren wij – Iraniërs die kilometers ver van ons vaderland wonen – een strijd die we niet zien, maar wel voelen. We horen de explosies niet direct, maar we dragen hun echo in ons lichaam.
Het ergste is niet het geluid van geweld. Het ergste is geen nieuws.
Niet weten wat er gebeurt.
Niet kunnen helpen.
Niet eens zeker weten of “alles nog staat”.
Eerlijk gezegd kan ik de situatie niet uitleggen.
We zijn opgelucht, bezorgd, verdrietig, opgewonden… en tegelijk gevangen in een vreemd, vreemd, vreemd gevoel.
Hoe kan een mens tegelijkertijd hoopvol en angstig zijn?
Hoe kan je je lichter voelen en toch zwaarder dan ooit?
De dictator is gestorven.
Maar een dictator is nooit alleen een persoon. Een dictator is een systeem.
En systemen vallen niet uiteen met de dood van één gezicht. Zo is het altijd geweest.
Wanneer macht zich nestelt in structuren, in netwerken, in instituties, verdwijnt ze niet zomaar.
We zien de schade aan ons mooie Iran.
Een land waar elke straat herinneringen draagt, elke muur een verhaal fluistert, elke handvol aarde een naam bevat.
Het doet pijn om die verwoesting te zien.
Maar blijven staren naar puin verlamt ons.
We móéten naar de toekomst kijken, ook als onze ogen nat zijn.
Als dit systeem van onderdrukking blijft bestaan, zal het erger toeslaan dan nu.
De geschiedenis leert dat gesloten machtsstructuren, wanneer zij zich bedreigd voelen, vaak nog harder worden.
Vandaag doordringt angst het hele lichaam van Iraniërs – binnen én buiten het land.
Niemand is werkelijk rustig.
Niemand is volledig zeker.
En niemand weet precies wat morgen zal brengen.
In korte, onderbroken telefoongesprekken zoeken wij naar leven.
In halve berichten.
In een paar seconden “online”.
Elke blauwe vink voelt als een nieuwe ademhaling.
Wat moet ik zeggen?
Woorden schieten tekort.
Zoals een Iraanse dichter ooit schreef:
Als je ons vraagt hoe het gaat, zeggen we dat het goed gaat…
maar geloof ons niet.
We zijn niet “goed”.
We zijn hoopvol.
En hoop woont samen met onrust.
We hebben opnieuw begrepen dat een vaderland geen stuk land is.
Het is een verzameling stemmen – van een moeder, een broer, een vriend in een oude wijk.
Wanneer je die stemmen niet hoort, blijft een deel van jezelf zweven, onvast, onvoltooid.
Toch blijft de toekomst mogelijk.
Geen enkel systeem is eeuwig.
Geen enkel volk blijft voor altijd in de schaduw.
Misschien zal Iran ooit weer opstaan uit het stof.
Misschien zullen onze kinderen deze dagen later slechts zien als een moeilijke bladzijde in een geschiedenisboek.
Misschien zullen we dan kunnen zeggen: wij hebben het doorstaan.
Voor nu staan we tussen hoop en angst.
Met een telefoon in onze hand.
Met een hart dat te snel klopt.
Met ogen die tegelijk naar de hemel kijken en naar het licht van een scherm.
Als je ons vraagt hoe het gaat,
zeggen we: goed.
Maar geloof ons niet.


