Een gedicht over afwezigheid – of over aanwezig zijn in een straat die niet bestaat

Soms weet ik niet hoe ik het Perzische verdriet in het Nederlands moet vertalen. Verdriet dat geen schreeuw is en ook geen stilte – iets ertussenin, als het geluid van regen die niet valt, of de geur van een herinnering die te lang geleden is.

Vandaag wilde ik u laten delen in een van die droevige schoonheden. Een Perzisch gedicht waarvan ik niet weet of de dichter hier bekend is, maar dat in mijn taal een van de mooiste beelden van gemis en verlangen schetst. Een gedicht dat begint met een droom en eindigt met afwezigheid.

In mijn gedachten, onder een regen die niet valt,
loop ik met jou naar huis, door een straat die niet bestaat.

Alles in dit gedicht bestaat niet — de straat, het kopje, de bloemenvaas, de handen, zelfs de aanwezigheid. En toch voelt alles levensecht. De dichter giet thee in een kopje dat er niet is, legt jasmijn in een vaas die niet bestaat, en huilt op een veranda die slechts in de herinnering bestaat.

Het is een liefdesgedicht, maar niet over liefde die er is — over liefde die gebleven is in het hoofd, in de verbeelding. En in die verbeelding leeft alles verder.

In de Perzische taal is ‘niet zijn’ vaak ook een vorm van zijn. We maken poëzie uit afstand, hoop uit verdriet, en klank uit stilte.

Misschien is dit gedicht het beste te begrijpen als dat ene moment waarop je iemand mist, maar hem of haar in gedachten nog steeds naast je voelt zitten — alsof dromen even sterker is dan werkelijkheid.

Het eindigt zo:

Je bent weggegaan, en sinds jouw vertrek is dit mijn dagelijkse werk:
geloven dat je er niet meer bent – een taak die onmogelijk lijkt.

Misschien kan geen enkele taal het gevoel van afwezigheid zo tastbaar maken als het Perzisch. Alsof het licht nog steeds door het raam schijnt – in een kamer waar niemand meer is.

Afshin Yadollahi (Iran, 1967–2017)

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *