In deze dagen, wanneer ik de beelden van begrafenissen bekijk, staat er iets voor mij dat verder gaat dan de dood zelf.
De slachtoffers van de protesten in Iran worden begraven,
maar de aarde is onrustig.
Er is verdriet, maar geen geschreeuw;
en midden in dat verdriet beginnen lichamen te bewegen —
een langzame draaiing,
als een vorm van samaa,
een beweging die lijkt te komen uit een tijd ouder dan rouw.
Wat een droevige sfeer.
Niet alleen vanwege de dood,
maar vanwege deze ondraaglijke tegenstelling:
mensen die huilen
en tegelijkertijd bewegen;
niet uit vreugde,
maar alsof ze anders zouden instorten.
Deze beweging is geen dans.
Het is de laatste vorm van verzet van het lichaam
wanneer woorden niets meer kunnen doen.
Wanneer taal tekortschiet,
beginnen de voeten te spreken
over wat de mond niet meer durft te zeggen.
Ik keek naar deze tegenstelling
en huilde keer op keer.
Niet alleen om de doden,
maar om een volk dat gedwongen is
rouw om te zetten in beweging
om niet stil te vallen van pijn.
In deze scènes is de dood geen einde.
Hij treedt de kring binnen,
en de mensen proberen hem,
door te bewegen,
draaglijk te maken.
Alsof ze zeggen:
als je moet gaan,
ga dan met ritme,
niet met stilte.
Deze beelden zijn niet vanzelf poëtisch.
Wij maken ze poëtisch
omdat de werkelijkheid te hard is.
Misschien laat juist deze huilende beweging zien
hoe diep een samenleving gewond is geraakt:
zelfs haar rouw
heeft de vorm van een gebed aangenomen —
een gebed zonder god,
maar diep menselijk.


