Toen mijn lichaam eerder de kamer binnenkwam dan mijn cv

Gisteren was ik uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek bij de rechtbank in Den Bosch.

Voor een functie in een digitale afdeling.

Zoals voor elk gesprek had ik me voorbereid. Ik had mijn ervaring nog eens doorgenomen, nagedacht over mogelijke vragen en geprobeerd mezelf gerust te stellen: het is gewoon een gesprek over kennis, ervaring en de volgende stap.

Maar sommige ervaringen beginnen al voordat je de kamer binnenloopt.

Toen ik uitstapte voor het gebouw van de rechtbank, merkte ik dat er nog een behoorlijke afstand was tot de ingang. Misschien zou ik daar een paar jaar geleden niet eens op hebben gelet. Misschien had ik die afstand toen gedachteloos afgelegd.

Maar wanneer lopen niet meer volledig automatisch gaat, krijgen afstanden een andere betekenis.

Elke meter telt.

Elke deur.

Elke kleine onderbreking.

Het gebouw zelf was precies zoals je een rechtbank verwacht: serieus, geordend en een beetje zwaar. De deuren leken niet letterlijk smal, maar zo voelden ze die dag wel voor mij. Niet door hun afmetingen, maar door het gevoel dat ik had. Alsof ik vanaf het eerste moment moest bewijzen dat ik daar thuishoorde.

Ik liep naar binnen.

Het gesprek begon.

Er zaten twee mensen tegenover mij.

En hier wil ik eerlijk blijven.

Niemand zei iets.

Er was geen directe opmerking.

Geen moment waarvan je achteraf kunt zeggen: dit was discriminatie.

Maar sommige dingen gebeuren niet in woorden.

Sommige dingen gebeuren in stiltes.

In kleine verschuivingen.

In vragen die anders aanvoelen dan je had verwacht.

Misschien vergis ik me.

Misschien projecteer ik mijn eigen onzekerheid.

Maar ik had het gevoel dat ze in de eerste seconden even schrokken toen ze mij zagen.

Van mijn manier van lopen.

Van mijn tempo.

Van hoe ik ging zitten.

Ik had verwacht dat het gesprek vooral zou gaan over werk.

Over systemen.

Over ervaring.

Over wat ik kan.

Maar ergens in mijn gevoel veranderde het gesprek langzaam van:

“Wat kun je?”

naar:

“Wat is in jouw situatie nog mogelijk?”

Nogmaals: misschien heb ik dat verkeerd aangevoeld.

Misschien was er gewoon een sterkere kandidaat.

Misschien probeerden ze juist zorgvuldig te zijn.

En eerlijk gezegd: dat kan allemaal waar zijn.

Later die middag werd ik gebeld.

Eén van de twee vertelde vriendelijk dat ze voor iemand anders hadden gekozen die meer ervaring en meer aansluiting had op de inhoud van de functie.

Een volledig logisch antwoord.

Een antwoord waar ik respect voor heb.

Maar wat met mij mee naar huis kwam, was niet de afwijzing.

Het was een gevoel.

Onderweg naar huis, en later op de bank, dacht ik voor het eerst iets wat harder aankwam dan het telefoontje zelf:

Misschien zijn gewone banen niet meer voor mij.

En dat deed pijn.

Want jarenlang probeer je tegen jezelf te zeggen dat ziekte alleen iets is wat je hebt — niet iets wat je bent.

En dan komt er ineens een moment waarop je jezelf afvraagt:

Als mijn lichaam niet meer hetzelfde is, is er dan nog plaats voor mij?

Eerlijk gezegd werd ik verdrietig.

Misschien zelfs een beetje somber.

En als ik eerlijk ben: dat gevoel is nog niet helemaal weg.

Maar ik weet ook iets anders.

Dit is niet de eerste keer dat ik mijn idee van het leven moet aanpassen.

Eerst toen voetbal moeilijker werd.

Daarna toen lopen veranderde.

Daarna toen ziekte een naam kreeg.

Misschien is dit gewoon opnieuw zo’n moment.

Niet omdat ik minder ben geworden.

Niet omdat het voorbij is.

Maar omdat mijn lichaam op een andere manier met de wereld praat dan vroeger.

En ik ben nog steeds bezig die taal te leren vertalen.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *