Wie geeft mij het recht om over Erp te schrijven?

Sinds 2023 werk ik aan een boek dat ik Het gefluister van een land, een lied uit het Noorden heb genoemd.

Toen ik eraan begon, had ik een groot plan.

Ik wilde vanaf de twaalfde eeuw door de geschiedenis reizen en tegelijkertijd kijken naar Iran, Nederland en andere delen van de wereld. Alsof ik een enorme kaart op tafel had uitgespreid en met mijn vinger van Iran naar Brabant kon reizen, van het Midden-Oosten naar Noord-Europa, van de ene koning naar de andere, van een oorlog naar een andere oorlog en van het ene verhaal naar het volgende.

Ik wilde weten wat er aan de andere kant van de wereld gebeurde wanneer ergens een paleis werd gebouwd. Wie het land bewerkte terwijl elders een stad ten onder ging. Welke klokken hier luidden wanneer daar een dichter een vers schreef.

Maar enige tijd geleden las ik het boek opnieuw.

En ineens voelde de wereld te groot.

Niet omdat de rest van de wereld niet belangrijk is. Natuurlijk is zij dat. Iedere plek heeft een geschiedenis en iedere bodem bewaart verhalen.

Maar ik vroeg mezelf af:

Waarom probeer ik over de hele wereld te schrijven, terwijl ik de verhalen van mijn eigen twee huizen nog niet eens heb verteld?

Het ene huis is Iran.

Het andere is hier.

Erp.
Brabant.

Dus begon ik opnieuw.

Nu verandert het boek langzaam in een gesprek tussen twee stukken aarde. Tussen het land waar ik vandaan kom en het land waar ik tegenwoordig mijn raam open.

Maar bijna iedere keer wanneer ik een hoofdstuk herschrijf, komt er ook een angst naar boven.

Een zachte stem.

Maar een hardnekkige.

Die stem zegt:

Jij bent toch geen Nederlandse historicus?

Je hebt toch niet alle archieven gelezen?

Je bent hier niet geboren.

Wat als je iets verkeerd schrijft?

Wat als iemand straks je boek openslaat en zegt:

Wie geeft jou eigenlijk het recht om over de geschiedenis van Erp te schrijven?

En soms haal ik dan even mijn handen van het toetsenbord.

Misschien is die angst onzin.

Misschien ook niet.

Want migrant zijn betekent soms precies dit: dat je zelfs na jaren in een land nog het gevoel kunt hebben dat je toestemming nodig hebt om over zijn straten te spreken.

Alsof het verleden van een plaats uitsluitend toebehoort aan degenen van wie de voorouders daar begraven liggen.

Maar steeds vaker denk ik:

Geschiedenis is niet alleen bezit.

Geschiedenis is ook kijken.

Ik beweer niet dat ik historicus van Erp ben. Ik wil niet op de stoel gaan zitten van onderzoekers, archivarissen of mensen die jarenlang de geschiedenis van Brabant hebben bestudeerd.

Mijn verantwoordelijkheid is een andere.

Lezen.

Controleren.

Twijfelen.

Opnieuw controleren.

En wanneer ik een fout maak: die erkennen en herstellen.

Maar naast dat alles bezit ik iets wat een Nederlandse historicus misschien niet heeft:

de ogen van een migrant uit het Oosten.

Ik zie soms dingen die voor iemand die hier zijn hele leven woont zo gewoon zijn geworden dat ze bijna onzichtbaar zijn.

Een oude kerk.

De naam van een straat.

De vorm van de akkers.

De stilte van een dorp aan het einde van de middag.

Een spoor van oorlog op een muur.

Of misschien gewoon een boom die daar al honderd jaar staat en generaties mensen voorbij heeft zien gaan.

Ik kijk naar al die dingen met de herinnering aan een andere bodem in mij.

Met Iran.

Met de stad waar ik vandaan kom.

Met de verhalen die grootmoeders vertelden.

Met een geschiedenis die duizenden kilometers verderop, op hetzelfde moment, haar eigen weg ging.

Misschien ligt juist daarin de waarde van dit boek.

Niet dat ik meer over Erp zou weten dan de mensen van Erp.

Maar dat ik anders naar Erp kijk.

Vanuit het Oosten.

Vanuit migratie.

Vanuit afstand.

En vanuit dat vreemde gevoel dat een mens twee huizen kan hebben en zich soms toch in allebei een beetje vreemdeling kan voelen.

Het boek is nog lang niet af.

Er zijn nog veel hoofdstukken die opnieuw gelezen moeten worden. Veel bronnen die ik nog moet controleren. Er zullen ongetwijfeld zinnen verdwijnen. En misschien zal ik morgen ontdekken dat iets waarvan ik vandaag overtuigd ben, toch anders blijkt te zijn.

Maar ik schrijf verder.

Samen met die angst.

Want misschien betekent moed niet dat je niet bang bent.

Misschien betekent moed soms alleen dat je de angst naast je op een stoel laat zitten en toch je handen weer op het toetsenbord legt.

Ik ben een migrant uit het Oosten, in een huis dat langzaam mijn tweede thuis is geworden.

En misschien komt mijn recht om over deze grond te schrijven niet uit mijn paspoort.

Niet uit mijn geboorteplaats.

En ook niet uit mijn familiegeschiedenis.

Misschien komt het gewoon hieruit:

dat ik hier heb geleefd,

heb gekeken,

heb gevraagd,

ben gaan houden van deze plek,

en heb geprobeerd haar te begrijpen.

Mijn boek is nog niet af.

En eigenlijk was dit stukje ook helemaal niet bedoeld om mijn boek uit te leggen.

Ik wilde het alleen even opschrijven.

Misschien zodat ik de volgende keer, wanneer die stem weer fluistert:

‘Wie geeft jou eigenlijk het recht om hierover te schrijven?’

rustig kan antwoorden:

Het recht van iemand die nog steeds aan het leren is.
Het recht van iemand voor wie deze grond een tweede thuis is geworden.
En het recht van iemand die een verhaal heeft gezien en het niet onverteld wil laten.

Steun AnderBlik

Lees je mijn verhalen graag? Met een vrijwillige bijdrage help je mij om te blijven schrijven en mijn verhalen gratis te delen. Ook lokale ondernemers zijn van harte welkom om AnderBlik te steunen.

Ik steun AnderBlik

Eenmalig of maandelijks. Iedere bijdrage is welkom. Dank je wel!

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *