11 mei is in Nederland Nationale Molendag; een dag waarop mensen stilstaan bij bouwwerken die eeuwenlang deel zijn geweest van hun leven.
Voor velen zijn windmolens vooral een symbool van Nederland: een toeristisch beeld naast tulpen, fietsen en grachten. Maar telkens wanneer ik in de dorpen van Brabant naar die grote draaiende wieken kijk, komt steeds dezelfde vraag in mij op:
Is het verhaal van de windmolen eigenlijk wel hier begonnen?
Een paar jaar geleden, toen ik voor het eerst de geschiedenis van windmolens begon te lezen, ontdekte ik iets verrassends:
de oudste bekende windmolens stonden niet in Europa, maar in het oosten van Iran, in Sistan — een streek waar de wind deel uitmaakte van het lot van de mensen.
Daar was wind niet zomaar een natuurverschijnsel. Het bepaalde het leven. Mensen leerden eeuwen geleden al hoe ze de beroemde “120-daagse winden” konden gebruiken om molens te laten draaien en graan te malen. Die molens werden “Asbad” genoemd.
Voor mij was dat niet zomaar een historisch detail. Het voelde eerder als een brug tussen twee werelden; tussen de droge aarde van het Oosten en de natte vlaktes van Nederland.
Misschien kwam het eerste idee om windkracht te gebruiken uit het Oosten, maar het waren de Nederlanders die het verder ontwikkelden tot een onderdeel van techniek, economie en nationale identiteit.
Met windmolens beheersten zij het water, maakten zij land en vochten zij zelfs tegen de zee. In Nederland was een molen niet alleen een werktuig; het was onderdeel van de strijd van de mens tegen de natuur.
Maar wat mij nog meer fascineert, is het verschil tussen de oosterse en westerse blik op de wind zelf.
In het Westen werd wind vooral energie: iets dat beweging, productie en vooruitgang mogelijk maakte.
Maar in de oosterse cultuur heeft “lucht” en “wind” vaak een diepere betekenis.
In het Perzisch zeggen wij nog steeds:
“de lucht van het vaderland voelen,”
of:
“de lucht van iemand bewaren.”
Wind is in onze taal niet alleen fysica; het is verlangen, heimwee en herinnering.
Misschien is dat waarom ik, wanneer ik naar Nederlandse molens kijk, soms het gevoel heb dat het Westen vooral probeerde de wind te beheersen, terwijl het Oosten probeerde naar zijn stem te luisteren.
Vandaag staat de wereld opnieuw op een vreemd kruispunt.
Het Westen, na eeuwen van snelheid en industrie, zoekt langzaam weer naar stilte, rust, ademhaling en aanwezigheid.
En het Oosten is op veel plaatsen zo druk bezig met overleven en crises, dat het soms nauwelijks nog tijd heeft om naar zijn eigen ziel te luisteren.
Misschien is een windmolen uiteindelijk slechts een oud bouwwerk. Maar voor mij symboliseert hij de bijzondere reis van ideeën door de geschiedenis;
hoe een gedachte kan beginnen in de hete winden van Sistan en eeuwen later, onder de grijze hemel van Nederland, deel wordt van het geheugen van een ander volk.
Misschien is dat ook de waarheid van beschavingen:
geen enkele beschaving begint volledig uit zichzelf.
De wind heeft altijd iets van elders meegebracht.
