Soms is stilte het luidste geluid dat een mens kan horen.
In het dorp waar ik nu woon, is stilte niet alleen de afwezigheid van geluid. Het is iets dat aanwezig is. Het ligt als een dunne laag over alles heen—over de huizen, over de bomen, over de blikken van mensen. Hier begrijpen mensen elkaar vaak al vóórdat er woorden nodig zijn. Samenwerking en verbondenheid zijn geen plannen of afspraken, maar iets dat vanzelf gebeurt.
Voor mij is deze stilte niet nieuw.
Mijn vader groeide op in een dorp in Iran. Later verhuisde hij naar Teheran, een stad waar geluid nooit ophoudt. Maar wanneer hij over zijn jeugd sprak, werd zijn stem altijd zachter. Alsof een deel van die stilte in hem was blijven leven.
Als kind gingen wij af en toe terug naar dat dorp.
Niet echt als bezoek, maar meer als een terugkeer naar iets wat in de stad ontbrak.
Daar bewoog de tijd langzamer. Geluiden waren schaars. En afstanden hadden betekenis.
En ik—
ik heb een deel van mijn jeugd ook in die stilte geleefd.
Mijn broer en ik deden iets vreemds, iets dat alleen kinderen serieus kunnen nemen. We gingen ver uit elkaar staan. Niet naast elkaar, maar op afstand—zo ver dat onze stemmen elkaar eigenlijk niet konden bereiken. En dan spraken we zachtjes. Heel zachtjes.
We geloofden dat de wind onze woorden zou meenemen.
We schreeuwden niet.
We vertrouwden de wind.
Jaren zijn voorbijgegaan.
Afstanden zijn groter geworden dan een paar meter. Landen zijn ertussen gekomen. Ik ben van Iran naar Nederland verhuisd en leef nu opnieuw in een dorp—opnieuw omringd door stilte.
En toch komt die ene vraag soms terug, juist wanneer de wind hier zacht door de straten gaat:
Is dit dezelfde wind?
Zou het kunnen dat dezelfde stroming die ooit onze kinderwoorden meenam langs stoffige wegen, nu door deze ordelijke straten beweegt?
Misschien zijn stiltes niet zo gescheiden als we denken.
Misschien spreken de stilte van een dorp in Iran en die van een dorp in Nederland dezelfde taal—een taal zonder woorden, maar vol betekenis.
Maar stilte is niet altijd rust.
Soms is stilte de zwaarste vorm van pijn.
Ik moet denken aan het gevoel dat terugkomt in het werk van Forough Farrokhzad:
de meeste pijn maakt geluid—ze schreeuwt, protesteert, vraagt om aandacht. En mensen reageren daarop. Ze helpen degene die hoorbaar lijdt.
Maar de diepste pijn gebeurt in stilte.
Een pijn zonder stem wordt vaak niet gehoord.
En misschien is stilte daarom wel de meest pijnlijke schreeuw die er bestaat.
In een wereld vol geluid raakt stilte gemakkelijk op de achtergrond. Maar voor wie haar kent, is ze meer dan rust alleen—ze kan ook een verborgen wond zijn.
Misschien is dat de reden dat ik, elke keer als de wind waait, even stilsta.
Niet om iets te horen—
maar om iets te voelen dat nooit echt is verdwenen.
Misschien draagt de wind nog altijd een spoor van die oude gesprekken met zich mee.
Gesprekken die nooit geschreeuwd werden—maar nog steeds bestaan.


