Gisteren besprak ik samen met mijn neuroloog de uitslag van mijn MRI.
Hij glimlachte en zei:
“Gelukkig zien we geen zorgwekkende afwijkingen.”
Ik glimlachte terug.
Maar in mijn hoofd bleef één vraag rondzingen:
Als alles er goed uitziet, waarom kan ik dan nog geen twee meter lopen?
Het blijft een vreemde werkelijkheid.
Soms laat een scan niets bijzonders zien, terwijl je eigen lichaam iedere stap uitschreeuwt dat er iets niet klopt.
De MRI zwijgt.
Mijn knieën niet.
De beelden van mijn hersenen ogen rustig.
Mijn benen eindigen steeds weer op de grond.
Misschien is er niets mis met de MRI.
Misschien verwachten we alleen te veel van wat een beeld kan vertellen.
Geen enkele scan kan laten zien hoe zwaar vermoeidheid werkelijk voelt.
Geen enkele afbeelding toont hoeveel angst er schuilt achter iedere stap die je zet.
En nergens in een medisch verslag staat beschreven hoeveel pijn het doet wanneer je partner je telkens weer overeind moet helpen.
Nu krijg ik opnieuw een behandeling met corticosteroïden.
Vijftien jaar geleden, in Iran, kreeg ik deze behandeling twee keer via een infuus. Het voelde alsof mijn lichaam zich plotseling herinnerde hoe lopen ook alweer ging. Geen wondermiddel, geen genezing, maar voor even leek mijn lichaam weer met mij samen te werken.
Deze keer krijg ik tabletten.
Ik weet dat corticosteroïden geen onschuldige medicijnen zijn. Ze hebben bijwerkingen en genezen multiple sclerose niet.
Toch zijn er momenten waarop je niet kiest tussen goed en slecht.
Je kiest tussen blijven vallen of hopen dat je weer een paar stappen kunt zetten.
Misschien is dat de prijs die sommige mensen moeten betalen.
Ik hoop niet op een wonder.
Ik hoop niet dat mijn ziekte verdwijnt.
Ik hoop alleen dat ik weer een stukje kan lopen.
Dat ik zonder angst een paar meter naast mijn vrouw en dochter kan afleggen.
Soms wordt hoop niet gemeten in kilometers.
Soms is twee meter al een overwinning.


