“Zó eenzaam ben ik, als een wees,
dat ik zelfs de wind moet smeken
om mijn wieg te bewegen.”
In de Perzische literatuur zijn er veel gedichten over armoede, ballingschap en eenzaamheid. Maar soms kan een dichter met slechts twee regels een wond laten zien die zelfs honderden pagina’s niet volledig kunnen beschrijven.
Taleb Amoli spreekt in deze versregel over een wees. Maar niet zomaar een kind dat zijn vader of moeder heeft verloren. Hij spreekt over absolute verlatenheid.
Kijk rustig naar het beeld.
Er ligt een kind in een wieg.
Er is geen hand die de wieg beweegt.
Geen moeder.
Geen vader.
Geen zus.
Geen buurvrouw.
Niemand.
Het kind is zó alleen dat het zijn hand niet eens meer uitstrekt naar mensen.
Het vraagt de wind om hulp.
Misschien waait er een zachte bries.
Misschien beweegt de wieg heel even.
Welk beeld kan pijnlijker zijn dan dit?
Ballingschap betekent niet altijd dat je ver weg bent van je vaderland.
Soms leef je tussen duizenden mensen, maar er is geen enkele hand die de wieg van je leven een beetje tot rust brengt.
Soms word je ziek en begrijp je pas wie werkelijk naast je staat.
Soms val je, en pas dan zie je wie bereid is zich voor jou te bukken.
En soms worden je wensen zo klein dat je niets groots meer van de wereld verlangt.
Je wilt alleen dat er iemand is die de wieg even beweegt.
Misschien is dat de reden waarom deze versregel, eeuwen later, nog steeds zo levend voelt.
Taleb Amoli spreekt over een wieg, maar hij bedoelt niet alleen de wieg van een kind.
De wieg is een beeld voor het leven zelf.
Wij hebben allemaal momenten waarop we een hand nodig hebben die ons zonder veel woorden een beetje kalmeert.
Een hand die er gewoon is.
Een aanwezigheid die niets hoeft te bewijzen.
De echte pijn begint wanneer die hand er niet is.
Dan begint een mens zelfs op de wind te hopen.
Misschien is dat wel de bitterste definitie van ballingschap:
een plek waar de mens de vriendelijkheid van de natuur in de plaats zet van menselijke liefde, en voor het kleinste teken van nabijheid zijn hoop vestigt op een bries die hem niet kent en nooit heeft beloofd te blijven.


