Lange tijd vroeg ik mij af waarom Hafez zo vaak over wijn en de taverne schrijft. Toen ik jonger was, dacht ik – zoals veel mensen – dat hij misschien gewoon over drinken sprak. Maar later begon ik te begrijpen dat hij misschien helemaal niet sprak over iets wat je in een glas kunt schenken.
Toen ik naar Nederland kwam, begon ik opnieuw over deze woorden na te denken.
In Nederland hoort samen zitten in een café bij het dagelijkse leven. Mensen gaan na hun werk ergens zitten, drinken koffie, praten, lachen en nemen voor een paar uur afstand van de drukte van het leven. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien niets te maken te hebben met de “meykhaneh” van Hafez. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik voelde dat er misschien een verborgen overeenkomst bestaat.
De taverne in de poëzie van Hafez is niet zomaar een gebouw. Soms is het een plaats waar mensen hun maskers afzetten. Een plek waar status, geld, uiterlijk en sociale rollen een stap terug doen en alleen de mens zelf overblijft.
Misschien spreekt Hafez daarom zo vaak over de taverne als tegenovergestelde van hypocrisie.
Het Westen heeft eeuwenlang systemen gebouwd: wetten, structuren en een sterk georganiseerde samenleving. Het Oosten heeft zich eeuwenlang meer beziggehouden met betekenis, gevoel en de verborgen lagen van het leven. Maar vandaag heb ik soms het gevoel dat beide uiteindelijk naar hetzelfde zoeken: een plek om adem te halen.
Misschien is dat ook waarom er tegenwoordig in Nederland cafés ontstaan waar mobiele telefoons verboden zijn; plekken waar mensen simpelweg komen om aanwezig te zijn bij elkaar. Alsof de mens, na eindeloos rennen, opnieuw zoekt naar iets dat Hafez eeuwen geleden al in zijn poëtische taal had verborgen.
Misschien was de wijn van Hafez geen drank.
Misschien was het een slok vrijheid.
En misschien was de taverne geen plek om aan de wereld te ontsnappen, maar een plek waar iemand zichzelf voor het eerst terugvindt.


