In de Shahnameh komt het kwaad niet altijd schreeuwend binnen.
Soms komt het stilletjes.
Zo stil dat mensen het in het begin nauwelijks opmerken.
Na de tijd van de eerste koningen brengt Abu al-Qasim Ferdowsi ons naar een van de donkerste en meest blijvende verhalen van de Shahnameh: het verhaal van Zahhak.
Voor veel Iraniërs is Zahhak slechts een mythisch figuur; een koning met twee slangen op zijn schouders. Maar als je het verhaal aandachtig leest, merk je dat Ferdowsi eigenlijk niet over een monster schrijft—hij schrijft over hoe een mens langzaam in een monster verandert.
Part1-Verhalen die ons nooit hebben verlaten
Part2- Keyumars; de eerste mens die naar de wereld keek
Aan het begin is Zahhak een gewone koning.
Niet krankzinnig, niet bloeddorstig, en niet onmenselijk.
Misschien is juist dát het meest angstaanjagende deel van het verhaal.
In de Shahnameh benadert Ahriman hem in menselijke vorm. Niet met geweld, maar met verleiding. Eerst wint hij Zahhaks vertrouwen. Daarna brengt hij hem stap voor stap van zijn pad af. Het kwaad verschijnt in dit verhaal niet plotseling; het groeit langzaam het leven van Zahhak binnen.
Het is alsof Ferdowsi een oude waarschuwing wil geven:
de grootste gevaren beginnen wanneer mensen het verschil tussen “normaal” en “verkeerd” niet meer voelen.
Daarna verschijnen de slangen op Zahhaks schouders.
Maar de Shahnameh beschrijft ze niet alleen als angstaanjagende wezens. De slangen hebben voortdurend honger en moeten iedere dag gevoed worden met de hersenen van jonge mensen.
Voor een kind is dat misschien alleen een gruwelijk beeld.
Maar voor een volwassene krijgt het verhaal een andere betekenis.
De slangen zijn in de Shahnameh niet alleen slangen.
Ze symboliseren datgene wat mensen begint te verslinden wanneer macht geen grenzen meer kent:
angst, geweld, of zelfs de stilte van mensen die langzaam gewend raken aan wat er gebeurt.
Dat is precies waarom dit deel van de Shahnameh na duizend jaar nog steeds levend aanvoelt.
Ferdowsi toont het kwaad niet als iets onwerkelijks of ver weg. Hij laat zien hoe corruptie langzaam normaal wordt.
Wanneer je in Europa leeft en de geschiedenis van de twintigste eeuw leest—de opkomst van extremistische regimes, oorlogen en collectieve angst—dan voelt het verhaal van Zahhak plotseling niet meer als een verre oosterse legende. Het begint te lijken op een patroon dat zich steeds opnieuw in de menselijke geschiedenis herhaalt.
Misschien is dat waarom de Shahnameh nog steeds belangrijk is.
Omdat het niet spreekt over een dood verleden, maar over iets dat in iedere samenleving opnieuw kan ontstaan.
Maar Ferdowsi laat niet alleen de duisternis zien.
Midden in dit verhaal ontstaat langzaam ook het begin van verzet. Mensen die niet bereid zijn alles te accepteren. Mensen die blijven geloven dat angst niet het definitieve lot van de wereld mag zijn.
Misschien is dat wel het belangrijkste deel van het verhaal van Zahhak:
het kwaad lijkt altijd machtig—maar het is nooit eeuwig.
In het volgende deel gaan we naar het verhaal van Fereydun;
de koning die niet met absolute macht, maar met de hoop van mensen en het verlangen naar rechtvaardigheid tegenover Zahhak opstond.


